Otto verwaarloosde de auto. 

Wolfgang antwoordde wel. 

Olivier wachtte totdat het weer weer beter werd. 

Wiebe weet welke autoweg hij moet nemen naar Litouwen. 

De aalscholver bouwde een waterdicht en winddicht nest. 

De beeldhower houwde een nieuw borstbeeld. 

De bergbewoners wonen in besneeuwde omgeving. 

Het werkwoord willen is een onregelmatige werkwoord. 

De boerenvrouw wandelde over de bewolkte akker. 

Het bouwafval bestond uit bouwstenen en een bouwkeet. 

In het bowlingcentrum was Wolter de beste met bowlen. 

Olivia hield van witte olijven, Odile was niet enthousiast. 

De buurvrouw was wekelijks buffetjuffrouw bij ons. 

Wilma werkte de hele week onafgebroken door. 

De eilandbewoonster was woonachtig in een woonwijk. 

Met wonderolie blijven we wonderbaarlijk mooi. 