Elke toets wordt getypt met de vinger die het meest dichtbij ligt. Na het typen van een toets die niet op de basisrij ligt, plaatst u de vinger weer terug naar de basisrij.
Voorbeeld: Hoe typt u de letter U
1. Zorg ervoor dat uw vingers op de basisrij staan.
2. Verplaats uw rechter wijsvinger van de J omhoog naar de U, u mag hierbij uw hand lichtjes bewegen.
3. Druk de U lichtjes in, houd hierbij uw hand ontspannen.
4. Verplaats uw wijsvinger weer terug naar haar toets op de basisrij J.
De spatiebalk |
![]() |